Bijgewerkt: 9 juli 2020

De 9de Indië -lezing op 7 maart 2020 in Amsterdam

Nieuws -> Informatief

Bron: Conchita Willems-de Koster
13-03-2020

Het 4 en 5 mei Comité Amsterdam Zuidoost organiseerde in samenwerking met het Indisch Herinneringscentrum en de OBA de 9e Indië lezing in het OBA Theater op 7 maart 2020. Het thema was: vrouwelijke stemmen en perspectieven tijdens de koloniale periode in Indonesië.

Schrijfster Dido Michielsen, historica Suze Zijlstra, documentairemaakster Sandra Beerends en Robin Block gaven hun perspectief op de (nog onderbelichte) rol van de vrouw in de geschiedschrijving over Nederlands-Indië, en dan met name de 'Indonesische' voormoeders. Waarover vaak minder makkelijk iets te vinden is in de archieven. Zo kregen ze alsnog een stem en een gezicht. Dierbaar en dichtbij creëerde de Indië-Lezing een ontmoeting met het verleden. Door Suze Zijlstra (historica aan de universiteit van Leiden), Dido Michielsen (schrijfster ‘Lichter dan ik’) en Sandra Beerends (filmmaakster o.a. 'Ze noemen me Baboe'). Met poëzie van Robin Block en muziek van Young Released. Met moderator Murjani Kusumobroto. Hieronder verslaglegging van een kippenvelbijeenkomst afgelopen zaterdag 7 maart. Focus op de wortels van ons bestaan droeg voor de negende keer bij aan het inzicht dat historisch besef bijdraagt aan recht, aan vrede, aan begrip.

De voorzitter van het 4en5mei Comité Amsterdam Zuidoost, Janneke Roos leidde de middag in aan het nieuwsgierige publiek, met ietwat geslonken opkomst, waarschijnlijk, door het Coronavirus. De zaal van het OBA Theater van het Woord vulde zich geleidelijk aan met jonge, volwassen en oudere mensen, bijeengekomen rond het thema: Vrouwelijke stemmen en perspectieven tijdens de koloniale periode in Indonesië.


Historica Suze Zijlstra nam ons mee in een gedegen onderzoek naar de vrouwen in haar familiegeschiedenis en vrouwen in het algemeen tijdens de koloniale periode. Haar grootouders zijn in 1955 van Surabaya naar Nederland gekomen met hun twee kinderen, onder wie haar moeder. Voorvader Coert Rosenquist was de eerste met deze achternaam die met de VOC in 1735 naar Azië ging. In deze stamboom, en in veel geschiedenissen van Indo-Europese families, is er vooral veel informatie te vinden over de mannen in de familie. Coert Rosenquist trouwde, en wel met Jacoba Happon, een Europees-Aziatische vrouw. En via hun nakomelingen komen we bij haar overgrootmoeder, de moeder van haar oma, Cornelia Rosenquist.

Voor de historische context gaat Suze terug naar de vroege zeventiende eeuw. In die tijd verliep de migratie van vrouwen uit Europa naar Batavia niet zo succesvol; en rond de helft van de zeventiende eeuw werd besloten dat vrouwen niet meer uit Europa mochten migreren. Andersom mochten Aziatische vrouwen niet naar Europa mee. Europese vrouwen mochten niet meer komen, omdat men dacht dat Aziatische vrouwen meer geschikt waren voor het tropische klimaat, en men verwachtte dat ze minder veeleisend zouden zijn wat betreft levensstandaard. De regelgeving was ook bedoeld om Europese mannen meer aan het land te binden: als ze vrouw en kinderen daar kregen, die niet zomaar naar Europa mochten, dan zouden de mannen zelf eerder geneigd zijn daar te blijven. Met een groot tekort aan Europees personeel was het in het belang van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) om mannen daar te houden.

Al in de zeventiende en achttiende eeuw zien we dus dat veel Europese mannen kinderen kregen met Aziatische vrouwen: soms was dit vrijwillig, en vond er zelfs een huwelijk plaats (waarvoor ze zich eerst tot het christendom moesten bekeren). Veel van de vrouwen zijn aangevoerd in slavernij: we weten niet altijd waar ze vandaan kwamen, maar het waren zeker niet alleen vrouwen uit het gebied dat nu Indonesië is. Europees-Aziatische kinderen konden worden geadopteerd door de Europese vader, maar het kwam natuurlijk vaak genoeg voor dat hij dit niet deed. Als de moeder vrij was, dan kon ze zo teruggestuurd worden naar het dorp waar ze vandaan kwam.

Door de adoptie van kinderen, die een Europese achternaam kregen, ontstond al vroeg een bevolkingsgroep die we later als Indo-Europeanen kennen. In de negentiende eeuw veranderde de situatie door afschaffing van slavernij. Het gebeurde vaker dat Europese ongetrouwde mannen, die zich nog niet formeel wilden binden, een ‘huishoudster’, ook bekend als njai, in dienst namen, met wie ze maar al te vaak kinderen kregen. Op papier was het vrijwillig, maar wat is vrijwillig als je nauwelijks wat hebt om van te leven?

Nog weer later, vooral vanaf eind 19de en begin 20ste eeuw, verandert het karakter van de koloniale bovenlaag verder. Nu wordt het steeds gebruikelijker om vrouw en soms ook gezin uit Nederland mee te nemen. De kolonie vernederlandst, al hebben we het dus nog steeds over een heel kleine hoeveelheid mensen op de totale bevolking van 60 miljoen. Er komen voor Nederlandse vrouwen steeds meer handleidingen beschikbaar om zich op het leven in de tropen voor te bereiden. Dit ging niet alleen maar over welke kleding te dragen en dergelijken, maar zeker ook over hoe je met Indonesisch personeel zou moeten omgaan. Want Europese en veel Indo-Europese huishoudens hadden (in die tijd als vanzelfsprekend) een aantal bedienden tegen niet al te hoog loon in dienst.

Als we het over vrouwen in de koloniale huishoudens hebben, dan moeten we het dus zeker niet alleen over de moeders van Indo-Europeanen hebben. We hebben het ook over de wasvrouwen, de marktvrouwen, de koks, de verkoopsters, de kindermeisjes. Uiteindelijk is vooral deze meest recente migratie van vrouwen uit Nederland, met name in de twintigste eeuw, de reden dat tijdens de Tweede Wereldoorlog er veel vrouwen in Japanse kampen terecht komen. Het waren namelijk vooral de Europeanen die in deze tijd geïnterneerd werden, veel Indo-Europeanen werden wegens een of meer Aziatische voormoeders door de Japanners tot de Aziatische bevolking gerekend. Juist die oorlog wist veel van de traditionele verhoudingen wat betreft gender te ontwrichten. Veel van deze Nederlandse burgers zouden tot de eersten behoren die na 1945 terug naar Nederland gingen: in feite de echte repatrianten, die teruggingen naar het land waar ze geboren waren.

Zoals we weten was de oorlog nog niet voorbij op het moment dat hier in Nederland vrede was, de 75 jaar vrede die we nu vieren. Na de Japanse bezetting volgde de bloedige onafhankelijkheidsoorlog. Ook hier verstoorde de oorlogssituatie de gebruikelijke verhoudingen. Niet alleen omdat de voorheen gekoloniseerden nu in oorlog waren met de kolonisator, en omdat de voormalige elite, nu inclusief veel Indo-Europese mensen, geïnterneerd bleef of werd in kampen, maar ook omdat oorlogssituaties vooral voor vrouwen specifieke risico’s van seksueel geweld met zich meebrachten. Moeders verloren kinderen, vrouwen hun echtgenoten, of ze kwamen zelf om het leven bij het geweld.

Nadat Nederland in 1949 accepteerde dat Indonesië onafhankelijk was, groeide in de jaren ’50 de stroom migranten naar Nederland. Niet zonder slag of stoot, want juist nu werd weer het argument van stal gehaald dat mensen van gemengde afkomst ‘geworteld’ waren in het voormalig Indië, en dat ze dus beter in de tropen konden blijven. Nederland zat niet te wachten op migranten die elders waren geboren, zeker niet als ze deels van Aziatische afkomst waren.

Na deze algemene historische informatie onthulde Suze gebeurtenissen uit haar familiestamboom met mooie slides. Uit het nabije verleden, de twintigste eeuw, maakte zij gebruik van familieverhalen van haar oma, de dochter van Cornelia Rosenquist. Die oma deelde met haar het leven van voor de oorlog, en ook de oorlog zelf. Ze was jong, verpleegkundige in Surabaya, en maakte in februari ’42 mee dat de stad gebombardeerd werd, met name de voor de marine strategisch belangrijke haven van de stad. Toen eenmaal de stad door de Japanners bezet was, is ze de stad uit gevlucht. Ze deelde herinneringen over brandende huizen, over haar angst voor Japanse soldaten, over onzekerheid over haar oudere broers die in militaire dienst waren. Ze werden niet geïnterneerd, en zij en haar zusje zijn voor hun veiligheid naar familie verder buiten de stad gegaan.

Na de Japanse capitulatie en de Onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië, is ze wel een tijd geïnterneerd. Voor mensen in Indonesië was op dit moment de oorlog nog niet voorbij. En ook over het kamp heeft ze, hoewel voorzichtig, verhalen verteld. Verhalen van Indische vrouwen zoals zij zijn belangrijk, en die verhalen moeten we blijven vertellen.

Tegelijk zijn dit niet de enige verhalen die van belang zijn als we meer willen begrijpen over de dekolonisatie. Hoe zat het met de Indonesische vrouwen die voor de familie werkten? De vrouwen die wellicht hun baan kwijtraakten door de omstandigheden, die honger leden, die familie hadden die in deze oorlogstijd vochten, vrouwen die vaak ook geliefden verloren en zelf gevaar liepen? Gelukkig wordt er steeds meer onderzoek naar dit perspectief gedaan. Dat is belangrijk. Door alleen te kijken naar of iemand man of vrouw was, kom je er zeker niet als je de koloniale samenleving wil doorgronden.

Of we nu over de 18e eeuw praten of over de 20e eeuw, dat gegeven blijft in feite hetzelfde. De machtsrelaties die speelden in de kolonie, wat betreft afkomst, gender, kleur en klasse, en een combinatie: die machtsrelaties zijn in feite gereproduceerd door de (voornamelijk) mannen die het archief produceerden. En als geschiedschrijvers niet uitkijken, worden die machtsrelaties ook weer gereproduceerd. Door met name aandacht te besteden aan de mannen met macht die zo goed in dat archief vertegenwoordigd zijn, en die vaak veel makkelijker te vinden zijn. Willen we meer weten over sommige groepen, vooral de gekoloniseerden uit de lagere klassen, dan zullen we andere vragen moeten stellen. Dat we niet alleen belangrijk onderzoek doen naar de verhoudingen in de Japanse interneringskampen, en de Bersiap-kampen. Dat we bijvoorbeeld ook zoeken naar genderverhoudingen in Boven-Digoel, het kamp waar veel Indonesiërs die verdacht werden van communistische sympathieën in de jaren 20 en 30, zonder rechtsspraak werden opgesloten.

Juist als we naar Aziatische vrouwen, de oorspronkelijke bevolking, willen kijken, zullen we verschillende verhalen moeten combineren. Zullen we andere methodes moeten hanteren? Suze hoopt dat dit een mooie opmaat is naar een middag waar verschillende creatieve benaderingen centraal staan die inspireren tot nieuwe benaderingen.

Schrijfster Dido Michielsen, winnaar van de Boekhandelsprijs 2020, reflecteerde verder op het thema vanuit literair perspectief en haar roman ‘Lichter dan ik’. Het boek speelt zich af in 1850, Java en is geïnspireerd door het leven van haar betovergrootmoeder Isah. Eigenlijk heet ze Tjanting, maar nadat ze huishoudster en minnares wordt van een Hollandse officier, wordt haar naam veranderd in Isah.

Isah groeit op in de kraton, het vorstenverblijf in Djokja. Haar levensloop lijkt daarmee vast te staan. Maar de eigenzinnige jonge vrouw weet te ontsnappen aan de traditionele standenmaatschappij. Ze wordt huishoudster én minnares van een Hollandse officier en schenkt hem twee dochters. Hij is geen beroerde kerel, hij is aardig verindischt, al eet hij het liefst biefstuk met aardappelen en sla, en als Isah zwanger raakt, reageert hij relaxed. Isah hoopt stilletjes op een huwelijk, maar dat is een misrekening. Hij vertrekt later doodleuk naar Holland, gaat naar Haarlem en trouwt daar met zijn verloofde.

Een bevriend stel adopteert haar twee dochters. Wil zij misschien als baboe, als kindermeisje in dienst? Hartverscheurend. Uiteindelijk beseft Isah dat ze haar eigen afkomst niet kan en ook niet wil verloochenen. Dido deelde een aantal familiefoto’s en tekeningen uit het verre verleden, die haar inspireerden tot het dichtbij brengen van het perspectief van de njai. Zoals wel vaker in Indische families, werden er in haar eigen familie allerlei verhalen over deze oermoeder verteld. Ze zou een prinses in de kraton zijn – het vorstenverblijf in Djokjakarta – en zijn geschaakt door een Hollandse patriciër. Met hem kreeg ze twee dochters, maar die werden niet door hem erkend maar door zijn beste vriend - en dan wel met een andere, verzonnen achternaam. Het was net alsof Dido in een gladde vijver begon te roeren en er steeds meer troebel water omhoogkwam, want wat was dit voor waanzin? Om goed in de stemming te komen, transformeerde zij tijdens de researchperiode haar werkplek tot een tijdcapsule, gevuld met Indische voorwerpen en foto’s. Hoe langer alles werd bestudeerd, hoe beter zij zich kon verplaatsen in dat andere land, die andere tijd.

Zij nam contact op met schrijver Reggie Baay, die haar snel uit de droom hielp wat het prinsessengehalte van de betovergrootmoeder betrof: bijna elke Indo lijkt af te stammen van zo’n prinses uit de kraton – en inderdaad, bij rondvraag in haar eigen familie kwam er nog een prinses uit Bali opduiken.

Wie schetst haar verbazing toen zij een verhaal uit 1904 vond van haar eigen overgrootvader, die tot een groep vergeten journalisten en schrijvers hoorde. Al in 1886 publiceerde hij samen met Lie Kim Hok de verhalen van ‘Duizend-en-een-nacht’ in het Maleis. Zijn verhaal heet Njai Isah en is op een waargebeurde geschiedenis gebaseerd. Aldus de samenstelster van dat verhalenboek: ‘Njai Isah is een belangrijk verhaal dat tot op heden niet de waardering heeft gekregen die het verdient. Het verhaal corrigeert het negatieve beeld van de njai (én van de inheemse bevolking in het algemeen) dat in de loop van de negentiende eeuw was ontstaan in de Nederlandse literatuur.’

Dido werd door dat het verhaal aangeraakt, koos de naam Isah uit voor haar romanheldin en voordat zij het wist werd ze meegesleept in het verhaal over de oermoeder, die bijna elke Indo wel in de top van zijn of haar stamboom heeft. Met of zonder naam, met of zonder gezicht of voorgeschiedenis. Geen totok belanda verhaal vol tempo doeloe, geen prinsessen-sprookje.

Dichter, muzikant en theatermaker Robin Block liet ons de energie van oermoeders krachtig en prachtig ervaren. Geïnspireerd door zijn eigen oma en opa bracht hij geluiden, woorden en lichaam samen naar het hart van de Theaterzaal van het Woord. Zijn performance bracht ons een dierbare echo van de Oermoeder! Haar naam vindend in de pelgrimstocht van het zoeken. Oermoeders: zij zijn er wel en zij zijn er niet … Drie filmfragmenten van hem door Ellen Mierop kunt u hier meebeleven: https://www.youtube.com/channel/UCKI8sLCXvCxPjlE2IMnshiQ

Filmmaakster Sandra Beerends werkte als scripteditor/creative producer voor verschillende films en documentaires, zoals ‘Kauwboy’, ‘In Blue’ en ‘Farewell’.  ‘Arigato’ was de eerste korte film, die zij zelf initieerde en schreef, geïnspireerd door het Indische oorlogsverleden van haar moeder.

'Ze noemen me Baboe' is niet alleen door haar geschreven maar tevens haar regiedebuut. De documentaire ging in première op het IDFA, waar het  als enige Nederlandse film in de  top 10 van de publieksfavorieten terecht kwam, en vertelt het turbulente levensverhaal van de Javaanse ‘baboe’ (kindermeisje) Alima.

Sandra lardeerde haar lezing over het ontbrekende perspectief van de baboe in ‘onze geschiedenis’ met speciaal voor deze lezing gemonteerde filmfragmenten, waarin zij een inkijkje gaf hoe zij vanuit research tot een filmische scene is gekomen. Het eerste fragment dat zij liet zien, was een grafisch eerbetoon aan alle voormalige baboes en hun nazaten, op wiens getuigenissen zij het verhaal heeft gebaseerd. Door hun namen expliciet te noemen en ze één voor één op te lichten tot zij langzaam een creditblok vormen, komen deze vrouwen letterlijk uit de. Zij liet zien hoe zowel het archiefmateriaal zelf, de diverse getuigenissen én de Indische cultuur, haar de informatie en inspiratie gaven om tot deze film te komen. Voor deze film gebruikte Sandra archiefmateriaal van 179 films.



De naam BABOE is een samentrekking van de woorden ‘mba’, van mevrouw en bu, van ‘ibu’, moeder. Voor de kinderen die werden opgevoed door de baboe, het kindermeisje, voelde het woord aan als ‘mama’. De eerste keer dat Sandra het woord ‘baboe’ hoorde, was in de verhalen van haar moeder. Zij was de vrouw die haar uit bed haalde, poederde, verhalen vertelde en net zo lang neuriënd bleef zingen naast haar bed tot ze rustig in slaap viel. Na haar volgden andere verhalen van Nederlandse kinderen opgegroeid in Nederlands-Indië. En altijd eindigde die verhalen met de plotselinge scheiding vanwege de Japanse bezetting en de daaropvolgende onafhankelijkheidsoorlog. En vooral het grote verdriet daarna. De latere zoektocht van deze kinderen naar hun baboe, die ze vaak als een tweede of soms zelfs eerste moeder zagen, leverden niks op, omdat ze haar vaak alleen maar kenden met de naam ‘baboe’, zoals kinderen hun moeder kennen als ‘mama’ en als ze al een naam wisten, bleken deze vrouwen nergens geregistreerd.

Hoe was het deze vrouwen vergaan na de scheiding? De Baboes, die het verbindende element waren tussen de Nederlandse en Indonesische cultuur. Wat was hun verhaal, in een tijd van schuivende wereldmachten? Sandra besloot dit te onderzoeken door op zoek te gaan naar beeldmateriaal en verhalen van Baboes.  Zij deed jarenlang research in onder andere de archieven van Eye en Beeld en geluid en interviewde zowel in Nederland als in Indonesië voormalige baboes, hun kinderen en kleinkinderen, maar ook al die Nederlandse kinderen voor wie zij als een ‘moeder’ zorgden in voormalig Nederlands-Indië.

Zo had zij een uitgebreid interview met Tilly, de hoogbejaarde zus van Jantje- de baby uit de film- over hun voormalige baboe, die volgens haar heel slim en leergierig was. Ook vertelde Sandra over haar ontmoeting met een kleinzoon van een voormalige baboe, die met haar Hollandse familie naar Nederland was gekomen. Na de Duitse bezetting kon ze niet meer terug naar Indonesië en bouwde hier een leven op. ‘Ze was officieel een analfabeet, zei hij, ‘maar ze las haar omgeving’. Ze wist precies hoe ze zich op elke gelegenheid moest kleden en gedragen.

Foto Amstelveen
(Foto Amstelveenweb.com - 2020)

Robin Block (1980) is een dichter, muzikant, theatermaker en columnist tijdens zijn optreden op 7 maart 2020 in Amsterdam


Door dit soort verhalen gedurende haar onderzoek, kantelde het beeld van de baboe van een ‘soort van slachtoffers’ naar ‘stoere onafhankelijke vrouwen’, die zich vol overgave storten in een nieuw leven met mensen wiens taal, cultuur en land niet de hare waren. Tilly vertelde haar over het zogenaamde ‘Baboehuis’ in Den Haag, waar hun baboe graag kwam. Ooit opgezet door een christelijke organisatie als opvanghuis voor baboes, die slecht behandeld werden door hun familie. Inmiddels uitgegroeid tot een pension en uitzendbureau voor baboes en andere Indonesische bediendes. Hier ontmoetten baboes niet alleen andere baboes, maar ook Indonesische studenten. Deze studenten waren niet alleen op zoek naar het eten en de warmte van ‘thuis’, maar zochten ook bewust contact met de zogenaamde onderklasse van Indonesië om ze voor te bereiden op een onafhankelijk Indonesië.

Het verlangen naar onafhankelijkheid, niet alleen voor haar land maar ook voor zichzelf, is een belangrijk element in de film. Als de hoofdpersoon uit haar film, Alima, de vrijheidsstrijder Riboet, ontmoet, beroert hij zowel haar hart als haar politieke bewustzijn. Riboet noemt haar liefkozend ‘Kartini’. In Nederland is ‘Kartini’ niet voor iedereen een bekende, maar in Indonesië is Kartini een historische heldin. Deze Javaanse prinses leefde einde 19e eeuw en streed voor de rechten van vrouwen, door zich te verzetten tegen gearrangeerde huwelijken en polygamie en zette zich in voor onderwijs aan meisjes.

In de film is onderwijs, het recht om jezelf te ontwikkelen, het vermogen om zelf na te denken en zelf beslissingen te kunnen nemen, een belangrijke lijn. De moeder van Alima heeft haar dochter, tegen de zin van haar oom naar school gestuurd, omdat zij gelooft dat meisjes net zo belangrijk zijn als jongens. Alima, grijpt dan ook iedere kans aan om zichzelf en anderen te ontwikkelen. De film eindigt met haar beslissing om zich te onttrekken aan een sociaal wenselijk huwelijk en zich in te zetten voor het recht van haar dochter en alle dochters van Indonesië om naar school te gaan.

Op dit moment draait de film al meer dan 15 weken in de bioscoop, dus voor hen die de film nog niet hebben gezien en zouden willen zien, zijn er nog enkele voorstellingen in het land, onder andere in Den Haag. Meer info: https://www.filmfestival.nl/nieuws/ze-noemen-me-baboe-bekroond-met-kristallen-film/

Treffend werd de ontmoeting tussen de drie spreeksters bij het tafelgesprek, begeleid door Murjani Kusumobroto rondom de vragen: Hoe gaan we nu verder? Welke raakvlakken en verschillen zijn er? Wat kunnen we leren van deze historie? Dido benadrukte het belang dat vrouwelijke schrijfsters opstaan, waarbij Sandra aanvulde hoe haar onderzoek gedurende 5 jaar het eigen besef verdiepte van de relatie met voormoeders en Suze sprak over de behoefte om vrouwelijke geschiedenis te ontdekken, opdat vrouwen dit willen doorgeven. Alle drie vonden in hun onderzoek weerklank van vrouwen die meer gericht waren op ‘het samen goed hebben’, dan op ‘macht hebben’. Een gezicht van menselijkheid doorgeven aan nieuwe generatie studenten, scholieren, juist door historische feiten van levenservaringen waar deze vrouwen voor staan, te verantwoorden. Het overstijgen van schaamte, het voelen van menswaardigheid als njai in de twee culturen, voedt ieders inzicht en leergierigheid over menselijkheid. Kennis over de VOC van de 17e en 18e eeuw toegankelijk maken door ware persoonlijke verhalen te delen, inspireert een lerend wij-gevoel. In plaats van een wij- versus zij-besef.

Muziek duo Young Released bracht traditiegetrouw door Indische liederen de zaal naar ontroerende saamhorigheid en ontspanning. De toon in de zaal was gezet en stil werd met het laatste lied meegezongen: We’ll meet again.

Murjani sloot de indrukwekkende middag af met een variatie van haar vaders woorden op Kiplings ballade: “And East is East en West is West and never the twain shall meet. But when two strong men stand face to face there is no East nor West!”

Suze, Dido en Sandra vertelden vanuit hun eigen perspectief over voormoeders, dichter Robin liet ons de energie van de oermoeder ervaren en muziek duo Young Released deed schoonheid van historisch besef weerklinken. Historie gaat om de wortels van ons bestaan en is gebaseerd op leerpunten. Het verleden is geen rugzakje: zij is de schatkamer van de toekomst. De slavernij van de VOC zien met de ogen van de vrouwen/moeders uit het verleden raakt menselijkheid aan. Samen in het nu leren door ontroering en bewondering: verlichtend en dichtbij is de njai ons geworden door deze lezing! De Indië-lezing is een initiatief van Stichting 4/5 mei Comité Amsterdam Zuidoost en wordt georganiseerd in samenwerking met het Indisch Herinneringscentrum. De lezing wordt gefaciliteerd door de OBA - Openbare Bibliotheek Amsterdam. Bekijk de foto-impressies van Kees Willems: https://photos.app.goo.gl/ndJ9LELFarodPJkEA



Amstelveenweb.com is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de nieuwsberichten.