Bijgewerkt: 17 december 2018

Geschiedenis Middelpolder - 1891

Foto's -> Middelpolder -> Archief Middelpolder

Geschiedenis Middelpolder
(Amstelveenweb.com collectie - 2004)

Foto van deel kaart van de Middelpolder (1891)

Geschiedenis van de Middelpolder
Bron: Teksten uit "De geschiedenis van de Bovenkerkerpolder en Middelpolder" door P. van Schaik

In het gebied van Nieuwer-Amstel werd de natuurlijke afwatering steeds moeilijker. Rond 1630 werd besloten tot het oprichten van nieuwe polders, waaronder de Middelpolder, gelegen tussen de Bovenkerkerpolder en de Binnendijkse Buitenveldertse polder. De naam Middelpolder kan afgeleid zijn van de ligging: middelste van de drie polders, of van een vroegere wijk Middeldorp. De aanleg van een polder betekende het bouwen van molens, het aanleggen van sluizen en kaden en het graven van weteringen.

Voor elke polder werd een bestuur aangesteld, zo ook voor de Middelpolder. Het bestuur bestond uit vier poldermeesters en een steman (stedeling). Het polderbestuur droeg zorg voor de tot standkoming, ontwikkeling en het behoud van de polder, om tot beheersing van het waterpeil te komen. Naast de schout van Amstelveen, hadden de poldermeesters het opzicht op alle dijken en dammen in de polder en zij droegen er zorg voor dat deze dijken en dammen hoog genoeg gemaakt en onderhouden werden. Daarnaast droegen zij zorg voor de inkomsten en uitgaven.

In de Middelpolder werden rond 1640 twee molens gebouwd. Een bij de buitenplaats Tulpenburg, bij de banpaal aan de Amsteldijk. De tweede molen werd aan het eind van het huidige Bankraspad gebouwd. Het waren 8-kantige molens die tezamen een oppervlakte van 1024 ha moesten bemalen.

Binnen de Middelpolder lag een meertje dat vroeger het Banckenmeer werd genoemd. Later werd dit Bankrasmeer en weer later Pancrasmeer. Een ander meertje binnen de begrenzing van de Middelpolder is de Braak, bij de Amsterdamse weg in de noordwesthoek. Op deze plaats is heden het heempark de Braak te vinden. (zie rubriek foto’s, categorie natuur).

De grond van de Middelpolder was veelal eigendom van Amsterdamse instellingen en burgers. Zij bouwden prachtige buitenplaatsen, die veel landgoed hadden. Tevens waren er veel boerenbedrijven voor veehouderij. De venige ondergrond van de polder, droeg bij aan goed grasland. Het was een goede bron van inkomsten omdat er vanuit Amsterdam een constante vraag naar zuivelproducten was.
In Amstelveen bleek het zeer rendabel om cultuurgrond om te zetten in turf. Er werden eind 1700, begin 1800, diverse aanvragen gedaan om toestemming te krijgen om tot vervening over te gaan. De reden dat dit in eerste instantie langdurig werd tegengehouden, was dat na verveners activiteiten er een laagveengebied overbleef met onrendabele waterplassen. Rond 1830 was de vervening nog steeds niet toegestaan, temeer daar men aan de ene kant de Haarlemmermeer wilde droogleggen en dan aan de andere kant de Middelpolder tot een waterplas zou maken.

In 1841 werd wederom een verzoek bij de Koning gedaan waarin onder meer stond: ”Voor vele jaren Sire, werd door ingelanden van den genoemde polder den billike wensch geuit dat het haar mogt vergund worden, den schat op te delven, die door de natuur aan hunne gronden werd toevertrouwd, bestaande uit het veen, die onontbeerlijke brandstof voor de geheele bevolking van ons Vaderland.” Eindelijk, bij Koninklijk Besluit van 2 februari 1843, werd gunstig beschikt op het verzoek van de verveners. Reageerde van Dam van Isselt tien jaar daarvoor nog negatief, deze keer bepleitte hij dat vervening mocht worden uitgevoerd. Afgesproken was dat de vervening uitgevoerd zou worden over een termijn van 40 jaar. Daarna moest tot droogmaking van de polder worden overgegaan.
Asweres Johannes Haages was een koopman die op een boerderij in de Bullewijk te Ouderkerk woonde. Hij bezat 80 ha in de Middelpolder, toen hij het request voor vervening mede ondertekende. Later kocht hij er nog 20 ha bij. In 1849 opende hij een fabriekje in de Middelpolder waar “parafin zwart vernis” uit turf werd gewonnen. In 1857 werd dit fabriekje eigendom van van Dam van Isselt. Deze hield zijn eigendommen in de Middelpolder tot zijn dood. Er werd een weg naar hem vernoemd, de van Dam van Isselt weg, die langs de voormalige Middelpolder liep, evenwijdig aan de van Sonweg, ongeveer op de plaats waar nu de Meanderflats staan.

(Bron: Inventaris van het archief van de Middelpolder door I. Waalker, 1938)
In dit geschrift stond het volgende geschreven:
"De Middelpolder onder Nieuwer-Amstel, ook wel Amstelveense polder genaamd. Deze polder is nagenoeg geheel verveend en dat wel krachtens twee Consessiën, de eerste van 10 februari 1843, voor de tijd van 40 jaar, de tweede van 28 januari 1869 voor de tijd van 25 jaar. De polder bestaat daardoor uit twee delen: het bovenland liggende aan de zijden van de polder tegen de grenzen en het benedenland, dat onstaan is door de vervening, waarvan de laatste is afgelopen on 1891 en dat daarna is drooggemaakt. het vroegere Pancrassermeer in in de vervening opgenomen."

Voordat de vervening kon plaatsvinden moest er veel geregeld worden. Dit werd gedaan door het veenderijbestuur, bestaande uit vijf personen. Allen waren directeur waarvan er een de president directeur was. In 1844 is men het eens over het gebied dat mag worden verveend. Men wilde 679 ha vervenen, maar er was slechts toestemming voor 600. Dit werd uiteindelijk 585 ha, 95 are en 25 ca. Tevens werd veel geregeld voor de exploitatie van het veen, de kosten en baten en het salaris van het veenderijbestuur.
De vervening bracht veel werkgelegenheid, ook voor jonge Duitsers die tijdens het seizoen kwamen assisteren. De vervening verliep voorspoedig en er kon al eerder dan voorzien, overgegaan worden tot droogmaking. Dit gebeurde met stoombemaling. Aan de Middelpolder werd een gemaal gebouwd en in 1879 in werking gesteld. De machine kreeg een vermogen van 50 m³ per minuut. Na een jaar lag de veenderij droog.
Behandeling in de gemeenteraad van 23 februari 1918
Aanleg van een uitlooppad (het tegenwoordige Kaezernepad), naar het spoorwegstation met een aftakking over de spoorweg naar het Heilige Land (Amstelland).

Op 13 april 1918:
Inschrijvingsbiljetten voor het maken van een loopbrug over de ringvaart van de Middelpolder achter het Heilige Land.
Inschrijvers: A.Olijhoek ƒ 675,--, P.Ket ƒ 785,--, P.Aalbersberg ƒ 995,--, C.A. Kennis ƒ 719,--. Wordt gegund aan de laagste inschrijver zijnde A. Olijhoek.

Op 16 januari 1918:
Een brief dd 25 november 1917 van de administratie der gemeente bedrijven houdende advies inzake begroting Provinciaal Electriciteitsbedrijf voor de uitbreiding langs de zuiddijk van de Middelpolder te beginnen met Slijkoord.

Op 31 mei 1919:
Raadsleden en leden van het bestuur van de Middelpolder uit te nodigen tegen 7 juni aanstaande (Zaterdag) des namiddags half vier in café "Het Dorstige Hert", de opening bij te wonen van de nieuw aangelegde verbindingsweg tussen Middelweg van de Middelpolder en het Lange Loopveld.

Op 24 januari 1919:
Een brief van 14 Jan LL van Ged Staten daarin mededelende dat zij aan het bestuur van de Middelpolder vergunning hebben verleend tot de bouw van een steiger in de ringvaart van de Bovenkerkerpolder aan het Grote Loopveld.
Zij nodigen ons uit na de bouw van deze steiger daarvan na de bouw bij de eerstvolgende schouw bij suppletoire bescheiden aantekening in de ligger der wegen te doen, alsmede de nieuwe verbindingsweg daarin aan te brengen.

Klik hier voor andere foto's in de categorie Middelpolder