Bijgewerkt: 21 mei 2019

Het Centraal Planbureau heeft het ontwerp-Klimaatakkoord doorgerekend

Nieuws -> Informatief

Bron: Centraal Planbureau/Rijksoverheid
15-03-2019

'Het klimaatbeleid staat hoog op de politieke agenda. De ambities van het beleid, het tempo waarmee het wordt ingevoerd, de keuze voor maatregelen, de kosten daarvan en de verdelingsvraagstukken hebben grote publieke belangstelling. In deze doorrekening maakt het CPB inzichtelijk wat de implicaties van het ontwerp-Klimaatakkoord zijn op het terrein van de overheidsuitgaven, de lasten, de lastenverdeling en de inkomenseffecten. We hopen daarmee nuttige input te bieden voor de lastige keuzes die onherroepelijk gemaakt moeten worden. Aan deze doorrekening heeft een groep van 15 onderzoekers gewerkt. Het kernteam bestond uit Maurits van Kempen, Patrick Koot en Sander van Veldhuizen. De projectleiding was in handen van Sander Hoogendoorn en Ton Manders. Ik dank iedereen die aan deze doorrekening een bijdrage heeft geleverd.' – aldus Laura van Geest directeur van het CPB in het voorwoord van de notitie.

Foto Amstelveen
(Bron CPB - 2013)

Laura van Geest (1962) econoom en bestuurskundige. Sinds 1 augustus 2013 is zij directeur van het Centraal Planbureau


Op verzoek van Eric Wiebes (VVD) de minister van Economische Zaken en Klimaat en de voorzitter van het Klimaatberaad heeft het Centraal Planbureau (CPB) de maatregelen uit het ontwerp-Klimaatakkoord (pdf 64 pagina’s) doorgerekend. Ook zijn enkele varianten van het kabinet doorgerekend. Het CPB presenteert de effecten van het ontwerp-Klimaatakkoord en de aanvullende varianten in samenhang met staand beleid van het kabinet dat nog in de pijplijn zit. Op deze manier wordt de totale verandering van het ene op het andere jaar voor gezinnen en bedrijven duidelijk. Ook zonder ontwerp-Klimaatakkoord liggen er budgettaire, lasten- en inkomenseffecten in het verschiet. De doorrekening geeft de effecten voor 2021, 2025 en 2030, zodat het verloop van de effecten over de tijd inzichtelijk is.

Het PBL en CPB hebben in nauwe samenwerking de doorrekening ter hand genomen, elk voor het eigen expertiseveld. Het PBL maakt als referentiescenario gebruik van de Nationale Energieverkenning uit 2017 (NEV); het CPB hanteert het Regeerakkoord als basispad, zoals geactualiseerd in december 2018. Dit is dus inclusief het reeds ingezette klimaat- en energiebeleid (RA+). Dit leidt niet tot verschillen in het eindbeeld van de effecten, wel in de verdeling tussen basispad / referentiescenario en ontwerp-Klimaatakkoord, bijvoorbeeld rondom het sluiten van de kolencentrales (niet in NEV, wel in RA+).

Foto Amstelveen
(Foto Nina Palli/Economische Zaken - 2017)

Ir. Eric Wiebes (VVD) minister van Economische Zaken en Klimaat



In grote lijnen zijn de CPB-uitkomsten gebaseerd op hetzelfde maatregelenpakket als de uitkomsten van PBL. Maar er zijn verschillen (zie bijlage C). Allereerst zijn er maatregelen die in de beoordeling van het PBL wel een CO2-effect hebben, maar die in de analyse van het CPB niet zijn meegenomen, omdat ze volgens het CPB niet eenzijdig afdwingbaar zijn door de overheid en onvoldoende concreet uitgewerkt zijn. De invoering van de malus in de sector Industrie is hiervan een voorbeeld. Daarnaast gaat het om vijf maatregelen uit de sector Landbouw en landgebruik en één maatregel uit de sector Gebouwde omgeving.

Het door het PBL berekende reductiepotentieel, waarvoor het CPB in deze notitie geen indicatie geeft van de budgettaire, lasten- en inkomenseffecten, kan hierdoor in totaal enkele megatonnen lager uitkomen. Ten tweede zijn er maatregelen zonder eigenstandig CO₂-effect die door het PBL als flankerend beleid voor het behalen van CO₂-reductie worden aangemerkt en die het CPB niet meeneemt in de analyse, opnieuw vanwege niet-afdwingbaarheid door de overheid. Ook hier ontbreekt een indicatie van de bijbehorende budgettaire, lasten- en inkomenseffecten. De door het PBL gesignaleerde omgevingsonzekerheid is niet van invloed op de CPB-ramingen. De maatvoering van maatregelen is veelal taakstellend door het CPB ingezet.

Foto Amstelveen
(Bron CBP - 2019)

Wat rekenen we wel door, en wat niet?


Hoe verhouden de kosten die PBL berekent zich tot die van het CPB? Het CPB bruteert de betalingen (uitgaven, EMU-relevante lasten) tussen overheid en samenleving die bij de nationale kosten van het PBL tegen elkaar wegvallen. Het CPB brengt alle effecten in kaart afgezet tegen januari 2018. Het PBL brengt de nationale kosten van het beleid ten opzichte van de NEV 2017 in beeld. Het budgettaire en lastenbeeld van het CPB is partieel omdat het alleen mutaties ten opzichte van 2018 schetst. Het beeld van de nationale kosten van het PBL is partieel, omdat het alleen per 2018 nieuw aangekondigd beleid in kaart brengt.

Zijn de resultaten die het CPB presenteert zeker? De gepresenteerde effecten zijn ramingen en dus onzeker. Het is niet mogelijk een betrouwbaarheidsinterval  aan te geven.

Welke informatie en modellen gebruikt het CPB? Voor de raming gebruikt het CPB standaardrekenmethoden, informatie van departementen en in een enkel geval de nationale kostenberekening van het PBL. Voor het vaststellen van de inkomenseffecten hanteert het CPB het model Mimosi, https://www.cpb.nl/publicatie/mimosi-microsimulatiemodel-voor-belastingen-sociale-zekerheid-loonkosten-en-koopkracht-2016 dat voor dit doel is uitgebreid.  Zie ook het CPB achtergronddocument, https://www.cpb.nl/methodologische-verantwoording-doorrekening-inkomenseffecten-ontwerp-klimaatakkoord.

Wat neemt het CPB mee in het basispad? Het CPB hanteert het Regeerakkoord als basispad zoals geactualiseerd in december 2018. Dit is dus inclusief het reeds ingezette klimaat- en energiebeleid (RA+).

De effecten van het totale klimaat- en energiebeleid op het bbp zijn ongeveer -0,5% bbp. Het totaal van het staande beleid en het ontwerp-Klimaatakkoord behelst enerzijds een lastenverzwaring die de groei drukt, maar ook hogere uitgaven die dat effect deels compenseren. De belangrijkste lastenverzwaringen betreffen de ODE, afschaffing van de salderingsregel, motorrijtuigenbelasting en de vrachtwagenheffing. Deze belastingen leiden samen met alle andere lastenverzwaringen tot een stijging van de lasten met 5,2 mld euro, terwijl de uitgaven met 4,4 mld euro omhoog gaan. Door deze bijsturing van de consumptie- en productiebeslissingen, met als doel de CO₂-emissies te verlagen, zullen bedrijven hun productieproces aanpassen en wordt uiteindelijk de arbeidsproductiviteit structureel gedrukt. Lees ook: Kamerbrief met eerste reactie kabinet op de doorrekening van het ontwerp-klimaatakkoord (pdf 2 pagina’s)



Amstelveenweb.com is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de nieuwsberichten.